19-07-04

Geschiedenis van Brussel

Brussel wordt voor het eerst vermeld op het einde van de 7de eeuw als Bruocsella (= woonplaats in het moeras). Deze naam wijst erop dat de plaats van Frankische oorsprong is, ofschoon de neolithische mens er sporen heeft nagelaten. Na de kerstening (7de eeuw) werd er waarschijnlijk in de Karolingische periode een parochiekerk, gewijd aan de H. Michiel, opgericht. Het dorp maakte deel uit van de pagus Bracbatensis (Brabantgouw) en nadien van het graafschap Ukkel, een van de vier gewesten waarin de pagus was uiteengevallen. Vóór het midden van de 10de eeuw ontwikkelden zich in het Zennedal een werf (aanlegplaats) en een verkeersknooppunt voor het domaniale verkeer. In deze eeuw was er reeds een muntatelier gevestigd. Op het Sint-Gorikseiland in de Zenne werd een castrum (burcht) opgericht, waarschijnlijk in 977. De burcht werd het administratieve en militaire centrum van het graafschap Ukkel (dat sindsdien graafschap Brussel werd genoemd). In het begin van de 11de eeuw werd het graafschap Brussel, door huwelijk, verenigd met het graafschap Leuven. Vanaf ca. 1000 werd Brussel reeds als portus of handelsplaats aangeduid. Met de verplaatsing van de grafelijke residentie van Leuven naar de Koudenberg in de tweede helft van de 11de eeuw hangt waarschijnlijk samen de overbrenging van de relieken van de H. Goedele uit de oude burchtkapel naar de St.-Michielskerk, die weldra St.-Goedelekerk werd genoemd.

 

Ca. 1100 werden de diverse kernen (portus, St.-Goedelekerk, kasteel op de Koudenberg) door een ringmuur omgeven. Brussel kreeg waarschijnlijk bij die gelegenheid een eigen rechtbank. De rechtsmacht van de zeven door de vorst voor het leven aangestelde schepenen, voorgezeten door een vorstelijk ambtenaar, de amman, besloeg het gebied van de oude parochie. Door de verspreiding van het Brussels recht op het platteland was de Brusselse schepenbank op het einde van de 14de eeuw ook een beroepsrechtbank voor het omliggende gebied. Voor het in de 11de en 12de eeuw drukker wordende verkeer tussen Vlaanderen en het Rijnland was de brug over de Zenne een vast doorgangspunt. Reeds in de 12de eeuw was er een niet onbelangrijke groep wevers gevestigd. Het draperiebedrijf werd volledig beheerst door het lakengilde (in 1281 voor het eerst vermeld). Het bestond aanvankelijk uitsluitend uit ‘patriciërs’, een beperkte groep families, vermoedelijk afstammend van de eerste bewoners en grondbezitters, die zich door handel en lakenindustrie hadden verrijkt en door hun economisch overwicht een politiek monopolie (inclusief alle schepenzetels) hadden weten te verwerven. In 1303 kwam onder invloed van de Guldensporenslag een ‘democratische regering’ aan het bewind naast de patricische schepenen. Zij bestond uit twee burgemeesters en een raad van gezworenen. Het patricische regime werd echter in 1306 hersteld, maar geleidelijk verzacht, terwijl van ca. 1330 af de ambachten, de groeperingen van de vaklieden, officieel werden erkend. De ‘democratisering’ in de tweede helft van de 14de eeuw was een indirect gevolg van de inneming van Brussel door Lodewijk van Male en van de herovering van de stad door Everhard 't Serclaes in de nacht van 24 okt. 1356. Tussen 1357 en 1379 werd een nieuwe stadswal gebouwd, waardoor de omwalde oppervlakte van ruim 79 ha toenam tot 449 ha. Gebruikmakend van de beroeringen en de verdeeldheid in Brabant tijdens de regering van Jan IV, maakten de ambachten zich in 1421 meester van de stad. Het gemeen werd militair georganiseerd onder het bevel van honderdmannen of wijkmeesters en een kapitein. De woelingen leidden na 1423 tot een ingewikkelde politieke organisatie, waarbij de macht verdeeld was tussen de zeven patricische geslachten en de negen ‘naties’ of ambachtsgroepen. De magistraat bestond uit zeven patricische schepenen, zes niet-patricische raadslieden, twee burgemeesters en vier rentmeesters. De laatste twee ambten waren gelijk verdeeld tussen geslachten en naties. In feite behield het patriciaat het overwicht, terwijl het ganse regime een sterke plutocratische inslag kreeg. Zelfs na verdere concessies na 1459 bleef de gewone ambachtsman van elke invloed verstoken.

 

De politieke tweespalt tussen de ambachtsmeesters en het gewone volk wijst op een grondige verandering in de sociale structuur. Sinds het midden van de 14de eeuw verkeerde de oude draperie in verval. Zij teerde, evenals de zgn. nieuwe of lichte draperie, die zich in het laatste kwart van de 14de eeuw had ontwikkeld, op een levendige handel met Duitsland langs de jaarmarkten van Frankfurt en vooral van Antwerpen en Bergen op Zoom.

 

De centrale functie van Brussel heeft zich gestadig sterker afgetekend. Op het einde van de 11de eeuw was Brussel het centrum van een graafschap en na het ontstaan van het hertogdom Brabant bleef het het middelpunt van die belangrijke administratieve eenheid, bekend als de ammanie van Brussel. Sinds het einde van de 13de eeuw werd het beschouwd als een van de zeven hoofdsteden van Brabant. Sinds de laatste decennia van de 14de eeuw werden in de Staten van Brabant de steden doorgaans vertegenwoordigd door de vier hoofdsteden, waaronder Brussel, dat bovendien een van de voornaamste hertogelijke residentiesteden was geworden. Door zijn centrale ligging werd het weldra ook de voornaamste hofstad van de Bourgondische Nederlanden. Het Hof, de adellijke families, zoals de Nassaus en de Ravensteins, die zich in de nabijheid van het hertogelijke paleis kwamen vestigen, en de ambtenarenwereld waren grote afnemers voor de talrijke verzorgingsbedrijven en de kunstambachten. De stad beleefde een hoge culturele bloei tijdens de Bourgondische periode.

 

Op het einde van de 15de eeuw brak een zware crisis uit, mede veroorzaakt door het feit dat de stad een leidend aandeel had in de opstand tegen Maximiliaan van Oostenrijk. De bevolking nam af en het Hof werd overgebracht naar Mechelen. Pas in 1531 werd Brussel opnieuw de zetel van de landvoogden en de nieuwe centrale instellingen.

 

Naast de tapijtweverij waren vooral de linnenweverij en de vervaardiging van lederen wandbekledingen belangrijke bedrijfstakken. De handel werd vergemakkelijkt door de aanleg van het Kanaal naar Willebroek (1561; thans Kanaal Brussel–Rupel). De hervorming vond in de stad vrij veel aanhangers. Godsdienstige en politieke motieven liepen dooreen, toen het Eedverbond der Edelen op 5 april 1566 in het paleis te Brussel het beroemde smeekschrift aan de landvoogdes overhandigde. Alva liet in de stad verscheidene edelen onthoofden en ten slotte op 5 juni 1568 ook de Vliesridders Egmont en Horne. Nadien hadden de eigenmachtige regering van de Raad van State en de opstandige Staten-Generaal hun zetel in de stad. Zij stonden onder sterke dwang van de calvinistische magistraat van Brussel. Het calvinistische bewind duurde van 1578 tot 1585, toen kolonel Olivier van den Tympel de belegerde stad aan A. Farnese, hertog van Parma, overgaf.

 

Na de inneming door Farnese werd Brussel opnieuw residentiestad van Hof en regering. Bij het uitbreken van troebelen naar aanleiding van een nieuwe bierbelasting in 1619, werd de volledige stedelijke bestuursorganisatie nogmaals vastgelegd. Zij werd in 1681 opnieuw bekrachtigd. Over de economische geschiedenis in de 17de eeuw is weinig bekend. Het Hof en de talrijke nieuwe kloosters en colleges deden de lokale handel leven, terwijl het Kanaal naar Willebroek de stad ook als handelsplaats enige betekenis verleende. Ofschoon de laken- en de tapijtnijverheid in verval waren, bloeiden het kantwerk, beoefend door duizenden thuis werkende vrouwen, de vervaardiging van lichte stoffen (saaien en fustein) en de linnennijverheid, terwijl de glas- en faiencekunst aan betekenis wonnen.

 

Uitzonderlijk zwaar was de ramp die Brussel trof toen op 13 en 14 aug. 1695 de Franse troepen de stad beschoten. Nagenoeg de hele middenstad werd platgelegd. Ook de stedelijke archieven gingen daarbij grotendeels verloren. Toch was de schade in enkele jaren hersteld en men benutte zelfs de gelegenheid om urbanistische verbeteringen door te voeren. Bij de herstellingswerken werden de oude stedelijke voorrechten teruggevonden. De naties wensten deze dadelijk in ere te herstellen, maar de Spaanse regering beantwoordde de beweging met een streng reglement op het stadsbestuur (12 aug. 1700). De dekens van de naties weigerden in 1717 opnieuw deze regeling te onderschrijven; hun leider Frans Anneessens moest op 19 sept. 1719 zijn verzet met de dood bekopen. Ondanks de zware financiële aderlating die de korte Franse bezetting (1746–1748) voor de stad betekende, was Brussel dadelijk bij de hernieuwing van het economisch leven in de 18de eeuw betrokken. De aanwezigheid van het Hof en al wat zich daar rond bewoog begunstigde uiteraard de plaatselijke economie, maar bovendien werd Brussel als hoofdstad ook het centrum van het nieuwe wegennet, dat sinds 1704 werd uitgebouwd en het handelsverkeer merkbaar bevorderde. Belangrijke firma's voor de expeditiehandel en grote bankinstellingen kwamen er zich vestigen; in 1778 werd ook een officiële Beurs georganiseerd. Ook bij de ontwikkeling van de nieuwe door de regering begunstigde industrieën kreeg Brussel het leeuwendeel.

 

Na de aanhechting van de Zuidelijke Nederlanden bij Frankrijk (1795) verloor Brussel zijn hoofdstedelijke functie en verviel het tot hoofdplaats van het departement Dijle. Een streng gecentraliseerde administratie, die de oude stedelijke instellingen had vervangen, voerde nog slechts het bewind over een gebied, dat door de wallen van de 14de eeuw werd afgelijnd. In 1815 werd Brussel een van de twee hoofdsteden van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en in 1830 werd het de hoofdstad van het onafhankelijke België. Het was trouwens te Brussel dat de Belgische Revolutie was uitgebroken. In het jonge koninkrijk nam het economisch belang van de hoofdstad toe samen met haar politiek en administratief overwicht. Zo werd zij in 1835 het uitgangspunt van het nieuwe spoorwegnet, terwijl de grote financiële staats- en andere lichamen er hun zetel hadden en de centrale culturele en wetenschappelijke instellingen er werden gevestigd. De stad was tevens het toevluchtsoord van vele politieke bannelingen en uitgewekenen als K. Marx, P.J. Proudhon, L. Blanc, V. Hugo, P. Verlaine en G. Boulanger. Ondertussen was Brussel met zijn voorsteden tot een grote agglomeratie samengegroeid. Door het slopen van de wallen (1810–1840) en het afschaffen van het octrooistelsel (1860) was elke materiële scheiding verdwenen. Een van de grootste moeilijkheden bij de modernisering was de administratieve versnippering van de agglomeratie. Zij werd ten dele verholpen door de inlijving van delen van de voorsteden (1853, 1864, 1921 en 1925) en door de officieuze oprichting van een raad van de burgemeesters van de Brusselse agglomeratie. De systematische verfransing van Brussel (oorspronkelijk een Vlaamse stad) werd o.a. gevoerd door Waalse ambtenaren en bedienden die het tweetalige statuut van de hoofdstad weigerden te aanvaarden. De taalwetten en inzonderheid de Wet op de Leerplicht (1914) bepaalden dat de moedertaal de voertaal was in het lager onderwijs. Deze wet zou echter verzacht worden toegepast in Brussel, waardoor de opvatting dat men in Brussel Frans moest kennen, duidelijk tot uiting kwam. De Waalse Brusselaars zagen de tweetaligheid van Vlaanderen en Brussel als een aanslag op hun privileges en op de suprematie van het Frans. Tweetaligheid in de openbare functies zou neerkomen op een monopolie van de Vlamingen. Vanuit beide landsdelen was er in de 19de en 20ste eeuw een omvangrijke migratie naar Brussel. De Vlaamse immigranten kwamen hoofdzakelijk uit de lagere bevolkingsgroepen en de Waalse immigratie was van meer intellectuele aard. Via het onderwijs, de administratie en het zakenleven deed zich het assimileringsproces van de Vlaamse dialectsprekers voor die, dankzij een approximatieve kennis van het Frans, geannexeerd werden bij de tweetaligen en die in volgende generaties een toenemende verfransing doormaakten. In 1921 werden nog drie Vlaamse gemeenten (Laken, Neder-over-Heembeek en Haren) bij de gemeente Brussel gevoegd, als gevolg van de tienjaarlijkse talentelling (zie ook Brussels Hoofdstedelijk Gewest).

 

De door de Duitse bezetting verwezenlijkte versmelting van 19 gemeenten tot Groot-Brussel werd, na de bevrijding van de stad door de Engelse troepen (3 sept. 1944), opgeheven. Het verzet van de bevolking tegen de bezetter tijdens de beide wereldoorlogen leidde in 1914 tot de deportatie van burgemeester Max en in 1941 tot de aanhouding van burgemeester Van de Meulebroeck. In beide gevallen moest de stad zware boeten betalen. In 1958 had te Brussel de Wereldtentoonstelling plaats. In 1979 werd het duizendjarig bestaan van Brussel gevierd.

 

De geschiedenis van de Stad Brussel wordt in het Museum van de Stad Brussel Broodhuis voorgesteld aan de hand van stukken uit de rijke verzameling.

 

De eerste stadskern van Brussel ontwikkelde zich in een driehoekig gebied dat werd begrensd door de zone van de eilanden in de Zenne, waar al vóór 979 een vesting was gebouwd, de Treurenberg met de Sint-Michielskerk en de nieuwe burcht uit de 11de eeuw op de Koudenberg. Omstreeks 1100, omringde deze kleine agglomeratie zich met een omwalling. Kerken en hospitalen werden gebouwd en al gauw groeide de lakenindustrie uit tot de belangrijkste pijler van de economie.

 

In 1229 was de Stad voldoende belangrijk en onafhankelijk geworden, om van de hertog van Brabant een handvest te bekomen, welke haar een zekere graad van autonomie waarborgde. In de XIVde eeuw betrokken de schepenen een huis op het marktplein, de latere Grote Markt. Brussel was op weg om de hoofstad van het hertogdom Brabant te worden. In 1356 wordt ze, na een kortstondige bezetting door de hertog van Vlaanderen, bevrijd door Everaert t 'Serclaes die voor deze heldendaad nog altijd vereerd wordt.

 

Op het einde van deze eeuw kende de Stad een economisch verval dat nog zou toenemen in de daarop volgende eeuw. Niettemin werd het Stadhuis, een meesterwerk ter ere van de gemeentelijke autonomie gebouwd. Tegelijkertijd lieten de hertogen van Bourgondië, opvolgers van de hertogen van Brabant, een paleis bouwen op de Koudenberg als symbool van hun macht. Begin van de XVIde eeuw werd de eerste postdienst opgericht : de keizerlijke koerierdienst Thurn und Taxis. De inhuldiging van het kanaal van Willebroek in 1561 was de laatste heuglijke gebeurtenis vóór het begin van de godsdienstoorlogen. De komst van Aartshertogen Albrecht en Isabella op het einde van de eeuw betekende het begin van een nieuwe periode van voorspoed.

 

Brussel werd meer dan ooit de hoofdstad van de Nederlanden, de centrale instellingen van de regering kwamen er zich definitief vestigen. De vernieling van de Grote Markt in 1695 betekende het einde van een tijdperk maar haar wederopbouw was een prachtige stedenbouwkundige onderneming. De Grote Markt werd een meesterwerk van de barokke architectuur zoals wij ze nu nog kunnen bewonderen.

 

De geschiedenis van Brussel in de XVIIIde en XIXde eeuw was vooral deze van de hoofdstad van het land. Op een korte bezetting na door de legers van de Franse koning Lodewijk XV was Brussel de vredige verblijfplaats van de gouverneur Karel van Lotharingen. Architecturale gehelen van sierlijk classicisme verfraaiden het stadsgezicht : het Sint-Michielsplein (nu het Martelarenplein), het Koningsplein en de wijk rond het Warandepark. In 1789 speelde Brussel een beslissende rol in de Brabantse Omwenteling. Eerst heroverd door de Oostenrjkers en daarna aangehecht bij het revolutionnaire Frankrijk, verloor ze haar autoriteit over de omliggende gemeenten en werd ze een eenvoudige hoofdplaats van een departement.

 

In 1800 telde de Stad nauwelijks 70 000 inwoners. Haar uitzicht onderging vele veranderingen : de stadsomwallingen van de XIVde eeuw werden vervangen door grote lanen; de openbare verlichting op gas deed haar intrede.

Brussel werd tegelijk de stuwende kracht en het toneel van de Belgische revolutie van 1830 die van het land een onafhankelijke staat maakte. De komst van Leopold I werd gevolgd door de inhuldiging van het kanaal Brussel-Charleroi en de oprichting in 1834 van de "Université Libre de Bruxelles".

 

De Stad werd een politiek centrum en een smeltkroes van ideeën onder meer door de aanwezigheid van beroemde bannelingen zoals Victor Hugo en Karl Marx. Tegelijk werden grote werken aangevat die Brussel in een hoofdstad met een indrukwekkende architectuur herschiepen. Denken jullie maar aan het overwelven van de Zenne, het aanleggen van de centrale lanen, het bouwen van het gerechtshof,...

 

Einde XIXde eeuw ontstond de" Art Nouveau" stijl in Brussel. Het aantal inwoners bedroeg toen 200 000. Begin XXde eeuw hebben grote infrastructuurwerken nl. de Noord-Zuidverbinding en de annexatie in 1921 van Laken, Haren en Neder-Over-Heembeek het uitzicht van de Stad grondig veranderd.

 

Vandaag is Brussel een belangrijke internationale stad. De zetels van de Europese instellingen, de NATO en meer dan 500 NGO's (Niet Gouvernementele Organisaties) zijn er gevestigd. Ze is de eerste economische pool van het land en haar haven is de vijfde van België. Het is eveneens een kosmopolitische stad met immigratie overwegend uit het Middelandsezeegebied.

 

Het jaar 2000 was heel bijzonder voor Brussel, ze was culturele hoofdstad van Europa en verscheidene wedstrijden van het voetbaltornooi Eurofoot werden op haar grondgebied gespeeld.

 

In 2001, van 1 juli tot 31 december, nam België het voorzitterschap waar van de Europese Unie. Eveneens is op de top van Nice beslist dat alle Europese Topvergaderingen voortaan zouden doorgaan in Brussel.

Meer

Meer

09:13 Gepost door Jantje de Belg | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.