01-06-04

Haren en witloof

Haren en het witloof :

 

Haren en zijn buur Evere (1140 Brussel) zijn de bakermat van de witloofteelt, alhoewel het door een Schaarbekenaar werd ontdekt. Het zijn de witlooftelers uit de gemeente Haren die tijdends de periode 1920-1970 met het procédé van het forceren en het veredelen van de soorten door een bestendige selectie (vroeg-gewoon-halflaat-laat) het witloof hebben bewerkt tot een wereldbefaamde groente en tot één van onze bekendste exportproducten. (Belgian Endive).
Daar waar vroeger in 1 op de 3 woningen in de gemeente aan witloofteelt werd gedaan is er vandaag de dag geen enkele witloofteler meer in Haren. De hydrocultuur in tegenstelling tot de vollegrondsteelt betekend het einde van het typische Belgisch witloof dat niet meer streekgebonden is. (Frankrijk, Nederland, Italië enz.)

  

Het Witloof  :

witlof, witloof of Brussels lof, een cultivar van de plantensoort wilde cichorei uit de Composietenfamilie. De groenwitte, vaste, spits toelopende spruiten (in de tuinbouw ‘kropjes’ genoemd) worden als groente geteeld en rauw (als sla) of gekookt gegeten. Losse kroppen leveren molsla. Witlof is een tweejarige plant die in het eerste jaar een stevige penwortel vormt.

Teelt :

De teelt is afkomstig uit België, waar deze ontstond door de teelt van cichoreiwortelen ten noordoosten van Brussel, nadat ca. 1840 het loof van wegens overproductie opgeslagen en later uitgelopen cichoreiwortels voor het eerst op de (Brusselse) markt was gebracht. Hoe een goede, vaste krop te krijgen was reeds ca. 1830 ontdekt door hoofdtuinier Bresiers van de Plantentuin te Brussel. De teelt van de witlofwortels vindt voor een groot deel op akkerbouwbedrijven plaats; het trekken van de witlofkropjes uit deze wortels gebeurt op tuinbouwbedrijven en op akkerbouwbedrijven.

Men zaait in het volle veld zaad uit van half april tot eind mei, om de wortel slechts matig te doen groeien, bij voorkeur op een veld met een graangewas als voorvrucht. De wortels worden gerooid van eind juli tot november, afhankelijk van het type. Voor het trekken (afstoken, forceren) worden de wortels in een kuil met een diepte van 15 à 20 cm opgezet, vrij dicht tegen elkaar, en afgedekt met een laagje grond en licht stro van 10 à 15 cm (het intafelen); sinds ca. 1970 teelt men ook selecties zonder dekgrond, in verduisterde ruimten; de kropjes blijven dan iets losser en worden iets groener. Sedert ca. 1976 wordt witlof ook zonder aarde, op een cultuur van stromend water getrokken. Om het trekken te bespoedigen kan bodemverwarming worden toegepast. Als het lof de gewenste lengte heeft bereikt, worden de kroppen afgebroken. De afgestookte wortels worden als veevoeder gebruikt.

Door bewaring is lof het gehele jaar in de handel. De hoofdverbruiksperiode is oktober tot mei.

Ziekten en plagen :

De voornaamste dierlijke parasieten zijn bladluizen en de witlofmineervlieg (Napomyza lateralis). Ziekten door micro-organismen zijn bladvuur (door de bacterie Pseudomonas marginalis), sclerotiënrot (door de schimmel Sclerotinia sclerotiorum) en verwelkingsziekte (door de schimmels Verticillium dahliae en V. albo-atrum).


Witloofteelt vandaag  KLIK HIER

22:26 Gepost door Jantje de Belg | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.